Montessori: een basis van vertrouwen

Montessori

Door Kim: “Wat ben ik toch elke keer weer blij dat ik in het montessorionderwijs werk, juist nu.” Zo reageerde ik op de blog “Leerachterstand? Volgens wie? Op wat?” van Jacqueline op Onderwijswereld-po.nl. Deze blog beschreef namelijk precies mijn ideeën over de zogenaamde ‘leerachterstand’ die bij leerlingen zou ontstaan door het thuisonderwijs tijdens de coronacrisis. Al vanaf de eerste dag dat de scholen gesloten waren, verscheen in de media de ene na de andere pessimistische kop over dit onderwerp. En het kabinet had het geld voor de zomerscholen -die deze achterstanden wel zouden gaan wegwerken- al zo goed als klaarliggen. Vanaf de zijlijn was dus vooraf al min of meer bepaald dat het thuisonderwijs weinig zou opleveren. Natuurlijk, ook ik zag beren op de weg, maar toch voerde juist het vertrouwen in mijn leerlingen de boventoon…

Leer mij het zelf te doen

Ik vertrouw er namelijk op, net als Maria Montessori, dat de wil om te leren zich spontaan ontwikkelt in het kind zelf. Het gaat dus niet per se over wat een leerkracht of methode zegt, doet of bedenkt. Kijk maar naar hoe jonge kinderen leren lopen. Is dit omdat een ander heeft gezegd dat dit moest? Nee, het kind heeft zelf beslist dat het er aan toe is. Het ziet anderen lopen en wil dit nu zelf ook doen. Zo gaat dit ook bij andere (al dan niet biologisch ingegeven) dingen die een kind te leren heeft. En wanneer dit na veel oefenen ook nog lukt, zorgt dit voor extra motivatie om méér nieuwe dingen te leren.


Hieruit blijkt wel dat de omgeving (o.a. ouders, leerkracht, medeleerlingen) een belangrijke rol speelt bij de ontwikkeling, deze moet immers het goede voorbeeld geven. Daarbij moet deze omgeving het kind er ook attent op maken om andere en nieuwe (schoolse) dingen te leren en hierop inspelen. Door goed te kijken naar de behoeften en mogelijkheden van het individuele kind kunnen passende middelen en ervaringen aangeboden worden die het kind verder zullen brengen in zijn ontwikkeling. Het kind en zijn behoeften zijn leidend en het (les)programma wordt daarop aangepast.

Zelfstandigheid

Dat het kind centraal staat, is ook terug te zien in de dagelijkse praktijk in mijn eigen klas. Daarin werken leerlingen zelfstandig, op hun eigen niveau en in hun eigen tempo aan hun ontwikkeling. Vrije keuze (in onder andere vak, tijdsduur, werkplek, samenwerken, pauze) is hierbinnen een belangrijk onderdeel en ook iets waarvoor de leerling verantwoordelijkheid draagt. Zo werkt Robin uit groep 8 in rekenboek 7 en kan Lisa uit groep 6 samen met Mohammed uit groep 7 langere tijd op de IPad bezig zijn met een werkstuk voor kosmisch onderwijs*. Tegelijkertijd kiest Sven ervoor om zijn fruit op te eten en is Lena aan het lezen op de leesbank. Elke leerling weet aan de hand van onder andere registratielijsten en gesprekken met mij wat hij kan doen en wat de bijbehorende doelen zijn. Ook houdt hij zijn voortgang bij, vraagt en geeft waar nodig hulp en werkt aan zelfgekozen doelen. Dit kan het leren van een andere taal zijn, een onderzoekje doen, iets programmeren, etc. Vanzelfsprekend heeft de ene leerling hier meer begeleiding en ondersteuning van mij bij nodig dan de ander.   

Als leerkracht ben ik op de achtergrond aanwezig en houd het leerproces van de leerlingen nauwlettend in de gaten. Dit doe ik met name door te observeren en signaleren: Wat doet de leerling? Hoe doet hij dat? Wat heeft hij nodig? Ga ik ingrijpen of ga ik juist kijken wat er gebeurt? N.a.v. deze observaties ga ik in gesprek met de leerling over zijn werk en ontwikkeling waarin ook de door hem gemaakte keuzes aan bod komen. Ook bied ik waar nodig passend (montessori)materiaal aan om abstracte dingen concreet te maken, maar juist ook om ze uit te dagen (bijvoorbeeld met het knopjesbord voor het leren worteltrekken). Dit alles met als doel de leerling steeds zelfstandiger te laten werken aan zijn ontwikkeling. Tijdens de coronacrisis kregen ze de kans om te laten zien hoe zelfstandig zij daadwerkelijk zijn…

Corona

En of ze zelfstandig zijn! Al binnen enkele dagen had ik met bijna alle leerlingen (en ouders) contact en liep het digitale thuisonderwijs. Een aantal kon nog niet aan de slag, omdat zij niet beschikten over een device. Maar nadat ik deze -op gepaste afstand- bij ze thuis had gebracht (toch fijn om ze even te zien!) konden ook zij aansluiten. Eigenlijk ging het online werken net als in de klas. De leerlingen gingen verder waar ze al waren gebleven met rekenen en taal, de werkstukken van kosmisch onderwijs werden afgemaakt en de kinderen werkten aan hun eigen doelen. Dus ook op afstand was er sprake van zelfstandigheid en eigen keuzes en was er in meer of mindere mate begeleiding van mij als leerkracht. Zo had Michel wat meer sturing van mij nodig om aan het werk te gaan, werkte Ali door alsof het altijd al zo was geweest en was Finn heel intensief en creatief geweest bij het maken van zijn werkstuk.

Interactie

Ook hier keek ik -net als in de klas- steeds naar wat de individuele leerling nodig had en gaf waar nodig feedback, stuurde instructiefilmpjes of juist een opbeurend mailtje. Al is feedback geven best lastig als je niet kunt observeren hoe een kind met zijn werk bezig is, omdat je er gewoonweg niet bij bent. Daarbij waren de leerlingen natuurlijk erg afhankelijk van hun omgeving thuis (mate van begeleiding en sturing, tijd en ritme, beschikking over devices). De ene leerling had daardoor een gunstigere uitgangspositie dan de ander. Toch waren ook leerlingen en ouders overwegend positief over het thuiswerken. Wel waren we het er met elkaar over eens dat we het ‘echte’ contact met elkaar misten. Gewoon samen een werkje kunnen doen, samen lachen om een grapje, de interactie tijdens een instructie, een praatje maken, als ouder even kijken in de klas. We wilden elkaar weer in het echt zien!

Weer naar school

En na acht best wel lange en intensieve weken konden we elkaar dan eindelijk weer zien en dat vond ik toch spannend: Zal iedereen er wel zijn? Ben ik niks vergeten? Die 1,5 meter, gaat dat wel lukken? Hoe zal het gaan met een halve klas die thuiswerkt? En wat als leerlingen helemaal niet komen? Ik had van alles bedacht en voorbereid om weer aan het groepsgevoel te werken en om de afgelopen maanden samen te bespreken en verwerken. Maar al snel bleek dat de leerlingen het liefst zo snel mogelijk weer ‘gewoon’ aan het werk wilden en dat ze dit vooral sámen wilden doen. Dus hebben we een beetje van beiden gedaan. Al snel voelde het weer vertrouwd en was iedereen heerlijk aan het werk. Die 1,5 meter afstand houden in de klas is overigens een utopie…

Het voordeel van het werken met halve groepen de afgelopen maand, is dat ik veel tijd aan alle leerlingen kon besteden. Zo kon ik erachter komen hoe de afgelopen maanden waren gegaan en hoe het met ze ging. Van iedereen had ik bijgehouden wat zij thuis hadden gedaan en aan de hand daarvan heb ik instructies gegeven en heb ik de leerlingen vooral geobserveerd nu dit eindelijk weer kon. Inmiddels heb ik daardoor iedereen weer goed in de peiling en heb ik mij een aardig beeld kunnen vormen over hun ontwikkeling en ‘leerachterstanden’.

Tussenstand

Maar van achterstanden kan en wil ik niet spreken. Ik zie namelijk geen achterstanden, want de leerlingen zijn verder gegaan waar zij waren gebleven met hun eigen ontwikkeling. Natuurlijk, sommigen hebben minder aan rekenen en taal gedaan dan wanneer zij op school zouden zijn geweest. Maar anderen hebben juist meer of andere dingen gedaan, verdiept of geleerd. Ik spreek daarom liever over een tussenstand, een nieuwe beginsituatie.

Positief

Wat mij positief is opgevallen, is dat de leerlingen een behoorlijke groei hebben doorgemaakt als het gaat om 21e-eeuwse vaardigheden als digitale geletterdheid, zelfregulering, problemen oplossen en communiceren. En ik vraag mij af of dat ook in hetzelfde tempo was gelukt wanneer er geen thuisonderwijs was geweest. Toch hebben de verbeterde digitale vaardigheden mijns inziens wel een minder positieve weerslag op het handschrift van de leerlingen. Want daar ben ik bij een aantal best van geschrokken na het vele digitaal werken (al komt dit volgens leerlingen zelf vooral door het vele gamen).  

Al met al kan ik zeggen dat ik ontzettend trots ben op al mijn leerlingen. Ik heb nog steeds het volle vertrouwen in hen. Ze hebben laten zien dat ze op hun eigen niveau zelfstandig en gemotiveerd zijn. En ze hebben allemaal nieuwe vaardigheden geleerd en ervaringen opgedaan. Wellicht hadden ze hierbij een voorsprong, omdat ze al gewend waren zelf verantwoordelijkheid te nemen voor hun leren. Een leerachterstand? Nee, dat kan ik niet zeggen. Wel duidelijk is mij geworden is dat echt fysiek contact niet vervangen kan worden door communiceren via een beeldscherm. Ik ben dan ook blij dat de groep straks weer compleet is en vooral ook dat ik in het montessorionderwijs werk!

*Kosmisch onderwijs gaat er vanuit dat alles deel is van een groter geheel. Dat alles onderling afhankelijk is van elkaar. De vakken aardrijkskunde, geschiedenis, natuuronderwijs, techniek en burgerschap worden daarom in samenhang aangeboden. In de praktijk betekent dit dat de verschillende thema’s en onderwerpen altijd vanuit verschillende invalshoeken worden benaderd.

De gebruikte namen in dit blog zijn gefingeerd.

Leestips

Wil je meer weten over het montessorionderwijs? Hieronder enkele tips!

2 reacties

  1. Brenda op 22 juni 2020 om 23:45

    Mooi artikel maar is het niet ‘help het mij zelf te doen’ i.pv. ‘leer het mij zelf te doen’? Best een groot verschil.

    • Esther van der Knaap op 23 juni 2020 om 05:53

      Het is zelfs allebei. En daarmee verbinding in plaats van verschil. Hoe mooi is dat!

Laat een reactie achter