Taal en nieuwkomers

Door Wendy: Lessen uit reguliere taalmethodes kunnen soms best lastig zijn voor meertalige leerlingen die nog relatief kort in Nederland zijn. De oefeningen sluiten niet altijd goed aan bij wat nieuwkomers nodig hebben. In deze blog vertel ik hoe wij dat in onze taalklas aanpakken en stel ik een werkblad beschikbaar om zinsbouw te oefenen. Ook heel goed inzetbaar als je één of enkele nieuwkomers in de reguliere klas hebt.

Basis

Taalmethodes zijn veelal geschreven voor Nederlandstalige leerlingen. Ze zijn daardoor niet altijd helemaal geschikt voor het lesgeven aan nieuwkomers, omdat bij hen de basis mist die Nederlandstalige kinderen wel hebben. Er is misschien wel extra aandacht voor woordenschat, maar meertalige leerlingen hebben ook extra instructie nodig op het gebied van bijvoorbeeld zinsbouw en pragmatiek (wanneer zeg je wat tegen wie?). In onze Taalklas werken we hier zowel impliciet als expliciet aan. Impliciet bijvoorbeeld door middel van het geven van feedback op taaluitingen. Expliciet zetten we onder meer de methodiek van Zien is Snappen in, van Josée Coenen en Marije Heijdenrijk. Dit boek is bedoeld voor leerlingen in groep 1 tot en met 4, maar wij gebruiken het ook voor leerlingen in de hogere groepen. In deze methodiek worden taalverschijnselen heel visueel gemaakt. Met gebaren, pictogrammen en kleuren wordt heel duidelijk uitgelegd hoe je zinnen maakt, wanneer je welk lidwoord gebruikt en waarom het meervoud van bijvoorbeeld lepel op een -s eindigt en niet op -en.


Zinnen maken

Ik pik er even 1 onderdeel uit: zinsbouw. Het maken van zinnen is voor veel nieuwkomers lastig. Ze gebruiken bijvoorbeeld de volgorde die ze gewend zijn in hun eigen taal (dit verschijnsel heet interferentie of transfer). Een voorbeeld is: ‘Ik vandaag naar school gaan’, in plaats van: ‘Ik ga vandaag naar school’. Je kunt dit oefenen door gericht te werken aan zinsbouw. Het begint met het koppelen van een kleur aan de verschillende zinsdelen. Ik noem er nu vier: woorden die mensen aanduiden zijn geel (ik, jij, de juf, papa), dieren en dingen zijn bruin (de hond, de stoel), werkwoorden rood (lopen, fietst, zijn) en zinsdelen die over waar gaan, paars (in de tuin, op school). In het boek staan allerlei oefeningen (veelal coöperatief), waarmee de leerlingen aan de slag gaan met het maken van zinnen en de juiste volgorde van de woorden in de zin.

Aan de slag met Zien is snappen
Zien is snappen in de praktijk

Werkblad

Dit gebeurt onder meer door het leggen van gekleurde strookjes met woorden erop. Wij gebruiken hierbij diverse (zelfgemaakte) werkbladen of werkbladen van anderen die met deze methodiek werken. Op het werkblad in de bijlage zie je de gekleurde strookjes waarop je zelf woorden kunt schrijven (tip: lamineer de lege woordstrookjes en schrijf er je eigen themawoorden op met whiteboardmarker). Op het blad met de tabel en de gekleurde, lege vakjes kunnen de leerlingen de woorden leggen. Doordat de kleuren al zijn voorgedrukt, is de volgorde vast. Dit maakt het heel inzichtelijk in welke volgorde woorden in Nederlandse zinnen (meestal) staan. Voor leerlingen die al wat verder zijn, kun je het blad met de tabel zonder gekleurde vakjes gebruiken, zodat ze zelf kunnen oefenen met de volgorde. Je vindt de download boven de afbeelding voor Pinterest.

Meer lezen?

taal en nieuwkomers
PIN dit blog voor later

1 reactie

  1. Margaret op 26 juni 2021 om 12:41

    Een goed en bruikbaar geschreven stuk!!!!

Laat een reactie achter